Ernest Van den Driessche
De levenskunstenaar Ernest Van den Driessche
Ingrid De Meûter
Het leven van een mens samenvatten op enkele lijnen is een ondankbare taak. Wanneer die mens bovendien 90 jaar lang geleefd heeft in een tijd waar zoveel belangrijke ontwikkelingen plaatsgrepen in een snel veranderende maatschappij, dan is het onmogelijk om volledig te zijn. Een bijkomende moeilijkheid in het konkrete geval van Ernest Van den Driessche is dat we hier te maken hebben met een heel boeiende persoonlijkheid, die gedurende zijn levensloop zoveel uiteenlopende dingen ondernam.
In de loop van zijn carrière en vooral in de jaren 60 wanneer hij bij een breder publiek bekend raakte, werd er heel wat over hem geschreven vooral naar aanleiding van zijn tentoonstellingen. De informatie die men daar terugvindt, voornamelijk i.v.m. de start van zijn artistieke bedrijvigheid, komt niet altijd overeen met de werkelijkheid.
Portret van Ernest tijdens
de opnamen van ten
Huize van, 1969.
Gelukkig zijn er de opnamen van de BRT-Vlaamsc Televisie voor een uitzending van het populaire programma Ten Huize van uit 1969. Wij hebben dan ook dankbaar gebruik gemaakt van wat Van den Driessche daar vertelt over zijn jeugd en zijn loopbaan voorafgaand aan zijn eerste tentoonstelling in 1 958 tijdens zijn 64ste levensjaar. Deze belangrijke bron, waar veelvuldig uit geciteerd wordt, vulden we aan met enkele grotere artikels en getuigenissen van de familie.
Natuurlijk is het onmogelijk om in te gaan op alle tentoon- stellingen van Van den Driessche; daarvoor verwijzen we naar de tentoonstellingslijst en bibliografie achteraan.
De kindertijd
Ernest Van den Driessche werd geboren op 25 december 1894. Deze aparte geboortedag heeft zijn sporen nagelaten in de wereld van de schilder. Ontelbaar zijn de kersttaferelen die in allerlei omstandigheden de geboorte van Christus in het licht stellen.
Zijn vader, Peetje-Karel was afkomstig van Kerkhove in West-Vlaanderen. Meer bepaald van de wijk De Waterhoek waar Stijn Streuvels een boek over schreef dat later voor de film 'Mira' werd gebruikt. Grootvader Seevie Van den Driessche had er een kruidenierszaak maar was ook bakker, slager en herbergier.
Peetje-Karel Van den
Driessche en zijn gezin
met in het midden
Ernest, ca. 1906.
Ernest Van den Driessche omschrijft zijn vader als een 'leu- tige kerel' die goed kon vertellen en een levendige belangstelling voor folklore had. Een tweede gegeven dat heel duidelijk zijn sporen heeft nagelaten in zijn oeuvre.
Van beroep was hij kleermaker maar hij hield ook herberg want zijn vrouw was de enige dochter van de herberg in den Engel'. Dat was zowat het belangrijkste kafee in Eine waar trouwens heel wat artistieke zielen over de vloer kwamen. Op veel taferelen vindt men de naam van deze herberg, naast vele andere terug.
Moeder Van den Driessche, Odile Peeters had gestudeerd voor onderwijzeres. Het lag dus voor de hand dat Ernest belang- stelling voor boeken zou vertonen. Tot zijn geliefde literatuur behoorden Hendrik Conscience en Jules Verne.
Uit de opnamen van Ten Huize van spreekt de bewondering voor zijn vader die ook een groot wandelaar en rappe loper moet zijn geweest. Terwijl zijn moeder wordt omschreven als een heilige. De andere man in zijn jeugd was nonkel Eduard, de broer van zijn vader en de rijke oom uit Brussel. Bij zijn bezoeken verwende hij de familie in Eine met oesters en champagne of duur vlees uit zijn slagerij. Vader ging ook regelmatig naar Brussel en bracht dan telkens vele lekkere dingen mee.
Ernest Van den Driessche vertelde in Ten Huize van over één van de geschenken van zijn rijke oom, de quinquet of petroleumlamp met dubbele luchtstroom, die voor enig tumult in het dorp zorgde. Wanneer zijn vader de herberg voor het eerst verlichtte met deze petroleumlamp riepen de mensen die zoveel licht niet gewoon waren, dat het 'In den Engel' brandde.
Tot zijn spijt bleef Ernest maar tot zijn 12 jaar op school zoals toen de gewoonte was. Zijn ouders hadden het niet breed met een gezin van 8 kinderen.
Een speciale voorliefde voor tekenen en schilderen was er toen nog niet bij. Van den Driessche zegt zelf dat hij vroeger op de lagere school wel tekende zoals iedereen, maar alleen met zwart potlood, van kleuren was nog geen sprake.
De loopbaan
Na de school startte Ernest Van den Driessche als timmer- mansjongen. Hij moest planken schoonmaken en pompputten kuisen. Thuis wachtte dan nog veldwerk.
In 1910 toen hij 16 jaar was, is hij naar Gent gegaan in de leer bij een slager. Na zes maanden hongerlijden vertrok hij naar Brussel bij zijn broer die op de Waversesteenweg een slagerij had. Regelmatig wanneer hij de zon zag werd hij terug naar het land gedreven. Na enkele weken op het land werken kon hij weer beter tegen een verblijf in de grootstad en vertrok hij terug naar een andere werkgever-slager.
Tijdens de oorlog kreeg hij na heel wat belevenissen een baan in een zagerij en later in een Engels krijgsgevangenenkamp. Na de oorlog werkte hij enige tijd aan de sluizen op de Schelde, vervolgens in Frankrijk om dan toch terug te keren naar Brussel waar hij op verschillende plaatsen werkte. Tot hij in 1 927 de slagerij van zijn baas kon overnemen. Deze slagerij op de Leuvensesteenweg met zeven knechten werd in die tijd overgenomen voor 150.000 frank.
Portrer van
Ernest Van den Driessche,
1915.
Met de hulp van zijn vader en drie zussen en mits hard werken werd hij er al gauw 'Ie grand boucher' genoemd. Van den Driessche zegt over deze periode: 'Ik stond bekend als specialist, kon mooie schotels klaarmaken en was bijzonder handig in het maken van etalages. Zelfs de schilder Courtens kwam naar mijn etalage kijken omdat hij ze schoon vond....Wij geriefden in die winkel tot 100 klanten per uur zodat dat leven niet vol te houden was. In 1 936 waren we dan ook oververmoeid en hebben we het opgegeven.'
In dezelfde tijd begon het schilderen. In 1931 nam zijn vriend, Raph I.agae, die schilder was, hem 's zondags mee naar Woluwe. Zij stelden er elk hun ezel open zijn vriend kwam af en toe kijken maar anders leerde hij hem niets. Van den Driessche is dan ook een authentieke autodidakt. Later trok hij op met Léon Cancelier, een goede fotograaf en beginnend schilder. Zij trokken rond Brussel op zoek naar de mooie plekjes. Er werd geschilderd naar de natuur met landschappen en stillevens en ook al eens een portret, zoals dat van zijn vader in de woonkamer te Brussel. Maar over het algemeen zijn uit deze beginperiode slechts weinig werken bewaard.
Hij was een zondagsschilder en schilderde omdat hij het graag deed, als tijdverdrijf. Ook later wanneer hij ontdekt werd blijft dit de hoofdmotivatie. Maar zijn interesse voor kunst blijkt breder te zijn geweest want hij stapte in die tijd te Brussel geregeld een tentoonstelling binnen. Ook veilingen werden regelmatig bezocht. Ondanks het onbegrip in de familie die het weggegooid geld vond had hij zo toch stilaan een hele verzameling antiek bij elkaar gekregen.
Bij zijn terugkeer naar Line in 1936 ging hij er in de hof werken en bouwde er naar eigen ideeën en in samenwerking met architekt Alfons Vanderweeën een huis. heel hun leven,verbleven zijn drie zussen in de 'villa'. Thans woont er nog één.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog terwijl Van den Driessche hielp bij de opgravingen van de abdij van Ename, zouden in datzelfde huis verschillende bekende gasten uit Gent verbleven hebben. Er was de leider van de opgravingen Adelbrecht Van de Walle, de musico- loog Jan Broekx, joernalist Piet Van Lieshout en de kunstenaar Oscar Bonnevalle.
Het gezin Van den Driessche
voor de ouderlijke woning
te Eine, 1952.
Met zijn verzameling antiquiteiten begon Ernest in de loop der tijd een handeltje in het ouderlijk huis. Tot tweemaal toe, maar telkens moest hij stoppen omdat hij te goedkoop verkocht of in zijn enthousiasme zelfs weggaf.
In 1946 op 52-jarige leeftijd is Ernest Van den Driessche gehuwd met Martha De Preester, afkomstig uit Elsegem. Zij kregen twee dochters, Midil en Mireille. De grote plaats die zijn gezin gaat innemen in zijn leven, vertaalde zich in zijn schilderijen. Talrijk zijn de taferelen die verwijzen naar de leefwereld van zijn dochters met o.a. stillevens waarop we hun geliefd speelgoed terugvinden. Terwijl anderzijds belangrijke gebeurtenissen in hun leven zoals de plechtige kommunie worden vastgelegd. Maar ook in zijn schilderstijl zal zijn jonge kroost sporen nalaten.
Werkend aan
de keukentafel, 1972
Na de twee mislukte pogingen om een winkel te beginnen legde hij zich immers toe op het schilderen, louter voor het plezier zoals vroeger. Want alhoewel hij zei reeds vroeg neiging gehad te hebben om 'peetjes' of kleine figuurtjes bij te schilderen, is het vooral de confrontatie met de tekeningen van zijn kinderen die een nieuwe succesvolle ontwikkeling van zijn stijl als gevolg hebben. Met een doosje kleurtjes begon hij los te schilderen zonder te tekenen, zo maar, zonder zich aan iets vast te houden, puur op verbeelding. Het resultaat was een naïeve uitbeelding, zoals kinderen die brengen. Net als zij heeft hij de neiging het beeldvlak zo vol mogelijk te vullen met allerlei figuren die zich vaak in stoet zowel op aarde als in de lucht bewegen. Zo vol zelfs dat ook de kaders werden ingepalmd en beschilderd. Een andere gedeelde voorkeur is deze voor blinkende elementen zoals verschillende speciale kaders illustreren. Zij verwijzen tevens naar zijn loopbaan als antiquair. Hij schilderde veel en de hoeveelheid nagelaten werk is aanzienlijk. Hij tekende met zwarte stift, maakte veel pastels en kleine en grote olieverfschilderijen. Het grootste gedeelte van zijn oeuvre kwam tot stand in de keuken van zijn zo vaak afgebeelde ouderlijk huis. Daar werkte hij in het gezelschap van zijn vrouw, hond en dochters aan de keukentafel of aan de schildersezel. Maar nog liever was hij aktief's avonds wanneer iedereen gaan slapen was en het volledig rustig werd. Zo lang het fysiek mogelijk was trok hij er geregeld op uit om buiten in de natuur zijn ezel te plaatsen en zijn impressies te verwerken.
Ernest aan her werk
in de natuur te Melden, 1971.
Zijn huis hing dan ook vol met antiek en zijn eigen schilde- rijen. Zelfs kasten en tafels werden beschilderd met motieven, figuren en taferelen. Er werd daarenboven nog een gebouw bijgezet in de tuin dat in dezelfde sfeer werd aangekleed.
Kniest op een kermispaard,
ca. 1968
De artistieke doorbraak
Dat Ernest Van den Driessche in 1 958 plots naar buiten trad met een tentoonstelling te Gent was louter te wijten aan een speling van het lot.
Wij willen u het reeds bekende verhaal toch niet onthouden. 'Op zekere dag krijg ik hier het bezoek van Jacques Van Quickelberghe, een antiquair uit Gent samen met kunstschilder Camille D'Havé. Van Quickelberghe had twee schilderijtjes van mij hangen, die ik geruild had voor een halfje, een tinnen pot van een halve liter, die toen 100 frank kostte. D'Havé ziet hier mijn schilderij met de Fietel van Eine en zegt dat hij het graag zou willen, liefst gratis. Ik antwoord: ik doe het niet weg. Op de duur ga ik geen werk meer over hebben voor de kinderen. D'Havé is lastig en zegt kwaad: ge kunt niet meer schilderen. Ik antwoord even bitsig: Als ik wil kan ik alles. Dat was voorbij maar 's nachts kon ik niet in slaap raken. Dat bleef door mijn hoofd spelen. Ik sta 's nachts om twee uur op, ga naar de keuken en begin te tekenen om eens iets anders te maken. Ik teken de 'Zotte maandag' van Ronse in potlood, pastel en inkt. Het ging veel beter dan ik verwachtte, het vlotte zelfs buitengewoon goed. Ik had mijn zelfvertrouwen weer.'
Op dat ogenblik had hij reeds pogingen gedaan in zijn nieuwe stijl, waarbij hij los tewerk ging vertrekkend van zijn verbeelding en zonder vooraf een tekening te maken. Bij voorkeur deed hij dit in pastel.
Enige tijd later nam Van Quickelberghe terug kontakt open hij stelde voor om enkele dagen later, op zondag, te exposeren in Galerij Elmar te Gent. Door het uitvallen van een exposant was de zaal vrij. Ondanks de tegenwerpingen van Ernest dat hij niets waardevols had koos Van Quickelberghe meerdere doeken die Van den Driessche verplicht werd te ondertekenen, iets dat hij tot dan niet belangrijk vond. Ook het dateren van zijn schilderijen werd niet als noodzakelijk beschouwd, wat het vastleggen van de chronologie in zijn nagelaten oeuvre bemoeilijkt.
Ernesr met reuzenkop
bij de opening van
zijn tentoonstelling in
Sint-Pietersabdij. 1961
Op de opening te Gent moest Ernest zelf toegeven dat zijn werk een mooi ensemble vormde. En voor het eerste besefte hij, op 63-jarige leeftijd, dat zijn werk ook voor anderen waarde kon hebben.
Want ook Prof. P. De Keyser die de openingsrede hield was vol lof. Het Museum voor Volkskunde had trouwens al voorde opening drie werken gekocht. De rest volgde vliegensvlug zodat uiteindelijk alle werken verkocht waren. De kranten waren eveneens zeer lovend in hun kritieken op deze onbekende maar oorspronkelijke kunstenaar. Reeds toen werden parallellen getrokken met het werk van Ensor en de droomwereld van Chagall. Beroemde namen die doorheen heel zijn carrière worden vermeld.
Hetzelfde succesvol scenario speelde zich trouwens af bij zijn volgende tentoonstelling in Gent, bij de openstelling van de Sint- Pietersabdij als Centrum voor Kunstambachten in 1961. Conservator A. Van de Walle, een oude kennis van tijdens de Tweede Wereldoorlog, stelde zich op als één van de verdedigers van het oeuvre van de kunstenaar.
In 1 962 stelt hij voor het eerst tentoon in eigen streek, te Oudenaarde. De stadsarchivaris Mevr. Tulleken-Van de Velde zal zich inzetten om de gebeurtenis te laten uitgroeien tot een succes. Later, op geregelde tijdstippen i_n zijn carrière, volgen er, mede onder haar impuls, andere tentoonstellingen.
Wat later in 1 965 door kontakten met de dichter-schilder Paul Snoek krijgt Van den Driessche de gelegenheid zijn horizon te verruimen en deel te nemen aan tentoonstellingen te Brussel in het Rogiercentrum en te Parijs in Galerie Bénézit.
In de jaren zestig was het aantal tentoonstellingen waaraan Van den Driessche deelnam aanzienlijk. Soms waren hetgroepsmani- festatics maar meestal waren het individuele tentoonstellingen. Het groot aantal tentoonstellingen bewijst dat ze steeds zeer succesvol waren. Ook later in de jaren '70 en tot bij zijn overlijden in 1984 ging geen jaar voorbij zonder dat er een tentoonstelling op stapel stond.
Streekgebonden
Ernest Van den Driessche schildert veel over zijn kinder- jaren of zoals hij het zelf zegt 'ik teken al de legenden van de streek, de personages en de gebeurtenissen, al wat ik mij herinner uit mijn jeugd, het slijten van het vlas, de Loeti-drager, dat is de weerwolf, de spoken, de toverheks Lange Jeanne, die ze in een fles gestopt hebben en dan begraven.'
Foto van omstreeks 1890
met Peetje-Karel bij de boot
van de Fietel te Eine
De thema's die het vaakst opduiken in de schilderijen van Van den Driessche staan sterk onder invloed van zijn vader en diens levendige verhalen. Maar ook de vaak terugkerende motieven van de ballon of het schip zijn nauw met zijn vader verbonden. Zo maakte of liever plakte deze ooiteen ballon samen van lapjes vloeipapier die de naam 'Ville de Paris' meekreeg. Men kan zich inbeelden dat dit een enorme indruk moet gemaakt hebben op de dorpsgenoten en zoontje Ernest. Het schip daarentegen herinnert aan de boot die elk jaar in de Fietel van Eine werd meegedragen. Voor de optocht kreeg deze telkens een onderhoudsbeurt waaraan ook vader Van den Driessche deelnam. Een foto uit 1890 is bewaard gebleven. De rijkdom van de geschilderde volkse thema's heeft ervoor gezorgd dat van bij de aanvang in I 958 de belangstelling voor zijn werk groot was vanuit de volkskundige kringen. Prof. P. De Keyscr en lic. R. van der Linden zagen al heel vlug de waarde in van zijn werk en zullen hem blijven steunen. Voor de verspreiding van de kennis van het volksleven biedt zijn werk enorme mogelijkheden. Talrijk zijn dan ook de uitbeeldingen van de elementaire volkse feesten zoals de jaarlijkse doortocht van het circus of de kermis. Reeds vroeg vertelt hij over de rol van de reuzen op de festiviteiten.
Kniest als trotse eigenaar
voor de molen te Mater,
ca. 1970 vóór de restauratie
Een eveneens vroeg opduikend thema is de molen. D.eze voorliefde krijgt later een speciale betekenis door zijn inzet, aktief ge- steund door zijn dochters, voor het behoud en restauratie van de op de Meulecauter van Mater door de familie in 1970 aangekochte molen.
Maar ook eigentijdse voorvallen of vertellingen kunnen onderwerp zijn van een doek. Zo kon hij eveneens inspiratie opdoen van de televisie. Een voorstelling van 'Macbeth' van Shakespearedie indruk maakt vindt zijn weerklank in een schilderij. Of ook een boek kan een aanleiding zijn. 'Waarde sterre bleef stille staan' van Helix Timmermans heeft hem tot verschillende schilderijen geïnspireerd. Maar ook de aantrekkingskracht van een schilder als Vincent Van Gogh is gemakkelijk te herkennen in bepaalde doeken. Terwijl het regelmatig verblijf in Knokke eveneens zijn sporen nalaat.
Mcr burgemeester Thienpont
bij clc toekenning van
het ere-burgerschap van
de stad Oudenaarde in 1978
Zoals hij zelf zei in I 969 is zijn thematiek onuitputtelijk. Veel meer uitleg over de gebruikte thema's vindt u in een andere bijdrage van de hand van lic. Renaat van der kinden, voorzitter van de Koninklijke Bond der Oostvlaamse Volkskundigen en specialist terzake die, zoals reeds aangehaald, in de jaren '60 in nauw kontakt stond met de kunstenaaren zijn familie.
Kr kunnen tot slot nog twee uiteenlopende uitingen van de waardering voor het werk en de persoon Ernest Van den Driessche uit zijn omgeving in herinnering gebracht worden. Vooreerst is er het officiële eerbetoon met de titel van 'Ere-Burger van Oudenaarde' dat hem in 1 978 te beurt viel. Evenveel plezier deden hem waarschijnlijk de verschillende lofdichten die door vrienden en kennissen aan het papier werden toevertrouwd naar aanleiding van een tentoonstelling of zijn 75ste verjaardag.
Internationale erkenning
Deze verbondenheid met zijn streek heeft Van den Driessche niet belet om ook internationaal door te breken. Zijn succes was immers niet uitsluitend plaatselijk want al vlug volgde ook de internationale erkenning.
Werk van hem werd uitgekozen door de Belgische regering om deel te nemen aan de eerste en tweede triënnale van de naïeve kunst te Bratislava (Tsjechoslowakijc) in 1966 en 1969.
Belangrijk voor de internationale weerklank waren de publicaties van Anatole Jakovsky, de kenner van de naïeve schilderkunst.
Speciale vermeldingen verdienen eveneens zijn tentoon- stellingen te Parijs in 1965 en Keulen in 1969. De eerste had plaats op initiatief van P.Snoek zoals hoger vermeld.
De tweede in het Belgischen Haus te Keulen was op uitnodi- ging van een lid van de Belgische ambassade en werd gesteund door Mevr. Tullcken-Van de Velde.
Verschillende galerijen in de buurlanden hadden schilde- rijen van hem in hun fonds. Vaak kwamen dan ook buitenlanders op bezoek in het pittoreske huis van de schilder te Eine waar ze door heel de familie met de beste zorgen werden omringd.
Ten huize van
Om af te sluiten willen we u nog enkele uitspraken van Ernest Van den Driessche genoteerd uit het draaiboek van de BRT-uitzending van 'Ten Huize van', niet onthouden. De citaten onder enkele schilderijen komen eveneens uit dezelfde bron.
Ernest in gesprek met
prof. Joos Florquin en
Annie van Avermaet tijdens de
opnamen van Ten Huize van, 1969
Dankzij zijn nagelaten oeuvre en deze historische opnamen die na uitzending op 28 april 1 969 een grote weerklank vonden en Ernest Van den Driessche intens gelukkig en fier maakten, leeft deze boeiende man nog verder.
Op de vraag of de verzameling antiek hem inspireert antwoordt Van den Driessche: 'Ja, het behoort tot de sfeer waarin ik graag leef. Ik hou van die oude dingen omdat ik van traditie hou, van het verleden, van het volksleven. Voor mij zijn dat geen dode dingen of museumstukken maar voorwerpen die mij spreken en vertellen van een tijd die ik nog gekend heb.'
Hij zegt te schilderen omdat hij ernaar gedreven wordt maar ook om zijn tijd te verdrijven en omdat hij het graag doet. 'Overdag pruts ik aan allerlei dingen: ik repareer antiek of zo. Schil- deren is niet werken, dus dat moet na de uren gebeuren. Schilderen is net als een boek lezen of naar de televisie kijken.'
Soms weet hij op voorhand niet wat hij gaat schilderen. Dan begint hij een vlak vol verf te zetten, als een abstrakt schilderij. Feitelijk brengt dat schilderij dan zichzelf voort.
'Ik zou zeggen dat het grootste deel naar de natuur geschil- derd is en dat dat aangevuld wordt door de verbeelding en de fantasie.'
'Ik voelde toen ook zo'n hevige drang om te schilderen dat ik vaak het paneel aan de twee kanten vol schilderde. Dat was dan voor het profijt.'
Op de vraag wat hij het mooiste op aarde vindt antwoordt hij 'de zon' en op wat hem het gelukkigst maakt 'iemand gelukkig maken'.
Als antwoord op de vraag of hij een optimist is volgt het antwoord: 'Nee,een pessimist maar ik schilder optimistisch. Ik moet soms lachen met mijn eigen werk omdat ik het zo grappig vind. Ik ben nooit kontent. Ik vind nooit genoeg kleuren om te schilderen. Ik zou andere kleuren willen vinden hoewel ze zeggen dat ik een sterk koloTi'st ben. Maar ik blijf onvoldaan. En dan ben ik erg kwetsbaar voor wat de mensen zeggen en doen. Dat is soms het ergste.'