Ernest Van den driessche

Ernest Van den Driessche

De man in de reus - Gisleine Peeters

Misschien draagt hij de reus na de stoet onzichtbaar verder.

Gisleine Peeters

Niemand in mijn lange loopbaan heeft me ooit iets gevraagd over mijn beroep. Niemand kent het of heeft ooit kunnen vermoeden dat mijn beroep er een is waar men zijn brood mee kan verdienen en gelukkig zijn. (...)

Alle carnavals, optochten, bloemencorso's en ommegangen zijn mij bekend. Ik ben namelijk de man die de reus draagt. En zo noemt men mij, want een naam heb ik niet. (...)

Waar is de tijd? Men noemde mij de man die de reus draagt. (...) De man in de reus is verantwoordelijk voor de goede naam van de reus. De faam van een reus valt of staat met de wijze waarop hij gedragen wordt. En een reus draagt men met waardigheid. (...) Ze begrijpen niet dat de reus dragen nog iets anders betekent dan een last optillen en ermee rondlopen, gelijk een os of een ezel. Men zou even goed kunnen informeren bij een koorddanser, een sabelslikker of een messenwerper en vragen hoe hij het doet. Ze snappen eenvou- dig niet dat een reus dragen veel meer inhoudt dan het draagwerk. (...)

Een reus moet drijven en zijn kleed moet lichtjes met de zoom de grond raken en dit alles zonder horten of stoten. Statig, evenwichtig en stabiel, als liep de reus op wielen, zo moet dat geschieden. (...)

De tijd van de goede reuzen is voorbij. (...) Ik zou liegen als ik zou beweren dat reuzen dragen moeilijk is. Het is in elk geval geen kwestie van spieren. Het is kennis. Ondervinding.

Elke reus heeft zijn eigen gebreken, maar ook zijn voordelen, zoals huizen, zoals mensen, en daar moet de drager mee rekening houden. (...) Iemand die de reus draagt is geen gewichtheffer. Het is een kwestie van medevoelen met de reus. Weten hoe hij wil gedragen worden. Men moet hem vertolken.

Wat men voelt in een reus. De last? Nee, na twee minuten is men dat vergeten, het is de eenzaamheid. Men moet opgewassen zijn tegen het urenlang gekooid zijn in het muffe binnenste van een reus. Er is weinig lucht en geen licht. De drager strompelt uren voort in een enge, besloten cel, verplicht de cadans te volgen, wat er ook moge gebeuren. Maar naarmate de tijd verstrijkt, wordt men stil. Het is gek, maar nergens heb ik mij ooit zo geheel alleen gevoeld als in een reus. Men zou er goed kunnen bidden, denk ik. (...)

En als de stoet ontbonden wordt op een verlaten plein komt het moeilijkste moment van de dag. Voorzichtig kruip ik vanonder de reus en adem eens goed in en uit. Dan komt de weemoed. Het verdriet. (...)

Niets ter wereld geeft mij zo een gevoel van verlatenheid als de ontbinding, het definitieve einde van de stoet. (...) Ze vinden me vreemd, dat voel ik aan, maar niemand valt me lastig. Misschien draag ik iets van de reus in mij, dat grote, dat zwijgende en boezem vrees in. Misschien draag ik de reus na de stoet onzichtbaar verder. Of ben ik de reus? Uit: Paul Snoek 'De man in de reus'

Wellicht koesterde ook de schilder Ernest Van den Driessche het geheime verlangen om de reus na de stoet verder te dragen, als droomde hij de onmogelijke droom om het feest nooit te laten uitsterven. Zijn nostalgie heeft hij verkleed met de warme kleuren van de vreugde, zijn stille eenzaamheid, opgelost in de communie van het volksgebeuren.

'Ernest Van den Driessche schildert vanuit een pracht talent, met een zuiverheid die van een kunstenaar des te bewonderens- waardiger is, wanneer men vaststelt dat de eenvoud zijn ontroering en de zuiverheid zijn weelde wordt.

Zijn schilderijen zijn stuk voor stuk belijdenissen van zijn schoonheid en goedheid als mens. (...) Hij leidt ons namelijk in een bijna vergeten wereld, waarin nog weinigen verblijven, een wereld van elke dag, met kermissen, bedevaarten en legenden, met heiligen en duivels, met kinderen en mensen, die spelen als kinderen in een onaangetaste wereld'. (Galerij Margaretha de Bocvé, 20 februari - 15 maart 1965.) Met deze woorden leidde Paul Snoek in 1 965 de eerste

tentoonstelling in van degene in wie hij 'een kunstenaar van inter- nationaal gehalte' had herkend en die hij datzelfde jaar samen met de naïeve kunst-specialist, Anatolc Jakovsky, op de Parijse artistieke scène zou brengen.

Het sprookjesachtige karakter van Van den Driessche's doeken, het verhaaltalent waarvan zij blijk geven en vooral het bijzonder luministisch palet waarin de vorm gestalte krijgt, hadden zowel de dichter als de schilder in Paul Snoek onweerstaanbaar weten te bekoren. De dromer Van den Driessche had zijn hart veroverd, omdat hij zoveel meer uitbeeldde dan een folklorerelaas. Zijn onirische creativiteit heeft het volksritueel een soort mytische dimensie gegeven. De magische sfeer van het carnavalfeest, of elders, van een bijbels mirakel, heeft hij prikkelend laten inwerken op zijn verbeeldingskracht. De anecdotiek heeft hij laten openbarsten in een vuurwerk van kleuren. Van den Driessche schilderde met zon, in de beslotenheid van de nacht 'Ce sont Ie noir et Ie silence qui l'inspirent et lui font inventer ses couleurs'. 'Zijn weelde vindt nieuwe kleuren uit'. (Galerie M. Bénézit, 13 m e i - 5 juni 1965.)

Zijn wereld schept een roes. Eerst raakt de blik dronken van die bonte wemeling van figuurtjes, met hun klowneske grimassen, hun gekke streken, hun goedmoedige dwaasheid, hun mens-zijn. Dan verdwaalt hij in deze patchworks van dansende streepjes, plukjes, puntjes, stippels.

En toch lijken Van den Driessche's 'peetjes' wel lustige kabouters, ontsnapt uit die andere werkelijkheid: die van het kind, waarnaar de schilder steeds op zoek is in zichzelf en de anderen.

Daarom wellicht, zweven zij soms in de blauwheid van de lucht, en stralen de hleilige Maria's vaak de lieftallige charme uit van oosterse prinsessen.

Die werkelijkheid heeft hij tot de zijne gemaakt: met zijn schilderijen - iconen uit duizend en één nachten -toverde de kunste- naar immers zijn woning om tot een waarachtig sprookjespaleis.

Een feest voor de ogen. Een streling voor het hart. Een wereld om van te snoepen. Steeds opnieuw.

De opening van de tentoonstelling in Sint Pietersabdij te Gent, 1961.

De opening van de
tentoonstelling in
Sint Pietersabdij
te Gent, 1961.